Maak  Kennis  Met  Kennis  En  Blijf  Bij  Kennis.                                                       
                                                             
                                                            
                                                           
Denkthema  31.
   Rudimentair en segmentair het atoom.
                                                           

Rudimentair/pulserend en segmentair/mobiel het atoom.
De (on)stoffelijke natuur van een atoom is van een tweeërlei gesteldheid:
zowel een complex van vooral pulserende golven alswel, bestaat een
atoom uit een samenstelling van deeltjes.
Dit een en ander lijkt niet samen te gaan, maar het is als "een zee van
golvend, bruisend water, waarin tegelijk allerlei ijsbrokken samenklonteren".
Kortom, ook in deze nadere uiteenzetting van de samengesteldheid van
een atoom wordt weer (gemiddeld) het T-profiel gehanteerd: en daarin kan
het "horizontale" overwegen op het "verticale", en andersom.

Overweegt het "horizontale", dan overweegt het zogezegd rudimentaire
bestaan van een atoom  -  pulserend, immobiel danwel, heeft de u-reële
kracht de overhand op de u-oerkracht en doen, onder andere, de
electrische kracht, ook wel de magnetische kracht en de massa's zich
minder gelden.
Overweegt daarentegen het "verticale", dan overweegt de u-oerkracht  
wat/meer op de u-reële kracht; electrische krachten en magnetische
krachten gaan mede "de dienst uitmaken", het atoom gaat wat/meer op in
wat/meer aparte massa's (met bijvoorbeeld elk haar meer particuliere
afgang/verwording tot in oerniets), de mobiliteit dier massa's wordt van
meer/groot belang, de constructieve/verenigende/wetmatige invloed van
  
het Transcendente
  abstracte stramien/
  rooster is van minder
  invloed op het atoom
   -  en het een en
  ander dreigt een
  chaotisch verloop
  te krijgen.

   In meer de aanvang
  van de heelalvlucht
  van een schare
  atomen overweegt
  veelal het "verticale"
  en daarmede meer de
  chaos  -  hoewel
  hiervan nog nader  -  
  terwijl met de vordering
  der heelalvlucht een
  atoom zich realiseert
  tot een meer rudimentair
  bestaan, tot althans
  wat meer overwicht van
  het "horizontale", van
  meer doorgaans de
  u-reële kracht op de
                                                                                      u-oerkracht.
En van dit "horizontale" overwicht betreffende een atoom nu toch eerst  iets
nader.

In rudimentair een atoom overweegt meer "horizontaal" scheidingsrelatief-
ontmoetingsrelatief de uitkolkende-inkolkende u-reële kracht op "verticaal"
de u-oerkrachtige zuil (z-z  - z'-z'; figuur a.), waarin de u-oerkracht neerwaarts
vergaat tot in oerniets en opwaarts vluchtig aanslaat in de Transcendente
kosmos in ruwweg gezegd een gevormde gedaante.
De massa's zijn dan elk als zodanig van mindere invloed; zij wassen weliswaar
aldoor aan onder aldoor de generering vanuit het oerniets van eerstens de
desbetreffende triasdeeltjes, maar zij verworden/"versmelten" aldoor (te zeerste)
in/met de unokracht, aldoor voedend vooral de u-reële kracht, die op haar
beurt aldoor wordt afgevoerd in veldenergie.
Liggen de massa's aldus als meer verzonken in de unokracht, met het
ondergeschikt zijn aan invloed van de "verticale" u-oerkracht aan de "horizontale"
u-reële kracht, met dit ondergeschikt zijn der u-oerkracht doen ook de electrische
kracht en de magnetische kracht in rudimentair een atoom zich minder gelden.

Dit een en ander nog iets nader aangegeven: in rudimentair een atoom is een
electron veel minder een deeltje, een broze massa (onder)in de "verticale"
u-oerkracht, maar veel meer de golvende schaalpulsering (sp) van het massale,
als rondom het atoom zijn u-reële kracht voortgaande.
Het proton (pr) bevindt zich immer met zijn vaste aard en massa in centraal het
atoom; immer ontmoetingsrelatief/centrerend danwel ineentrekkend, zeg maar
krachtig inkolkend, zich (en daarmede centraal, in beginsel, ook het
desbetreffend atoom) vestigend.
Voorts, de zuilwand/"buiswand" zelf is de overgang tussen het u-oerkrachtig
inkolken der zuil intern en het u-reëel krachtig uitkolken der zuil extern.
Danwel, trekt de zuilwand zelf al (krachtig) kolkend als cirkelend, roterend
rond.
En met zeg deze neutrale zuilwand vereenzelvigt zich het neutrale,
concentrerend neutron (ntr), dat inwendig als duo-deeltje/combi-massa
nog weer "gespleten"/gedeeld(/verdeeld) ligt in een tweeërlei deeltje/massa
  -  waarbij deze nogal wat geaarde massa's het desbetreffend atoom mede
plaatsend stabiliseren.
Overigens kan het neutron, met het variëren der zuildoorsnee, van omvang
wisselen.
Evenwel, in rudumentair een atoom, overweegt het neutronbestaan op het
zuilbestaan; en wat betreft het neutron zelf, overweegt dan "horizontaal"
zijn krachtig regulerende kruispulsering  -  in de kruising van de krachtig
pulserende hoofdligger (hl - hl; waarvan nog nader), als mede de inbreng
van het unodeeltje in de unokracht, en de tevens pulserende spreikracht
(s-s; ook hiervan nog nader), als de inbreng van het unobad in de unokracht
  -  op zijn (aldoor zozeer in/met de unokracht verwordende/"versmeltende")
combi-massa.

Met het overwegen, in rudimentair het atoom, van het "horizontale" op het
"verticale", in het T-profiel, is ook het Transcendente abstracte (abstr)
wetgevend/constructieve/verenigend stramien/rooster van een aanmerkelijke
invloed op dat/elk atoom.
Dit rooster doortrekt met zijn rechten een atoom ook immer ergens diametraal.
Dat wil zeggen, immer wordt dan een onderliggende gebintpulsering (zeg een
spijl van) dit straffe rooster opgelegd en zo belegd tot een reeds zojuist zo
genoemde hoofdligger (hl - hl) van die krachtige gebintpulsering.
Daarmede is deze straffe hoofdligger(/staf/"maatstaf") in het atoomgebint,
waaraan eerstens ook al de totale, in allerlei "horizontale" unokrachtige
diagonaal nogal (d)warrelend werkzame gebintpulsering zich gelegen laat
liggen, de eerste/straffe/disciplinerende hoofd(aan)legger van die totale
krachtige ondergelegen gebintpulsering danwel van dat unokrachtig
atoom zijn "horizontale" u-reële kracht.
Een van Transcendentwege opgelegde/ingelegde hoofdligger, die
rudimentair dat/elk atoom op zichzelf alom en immer volstrekt eender
aanlegt, beheerst en beheert.
De hoofdligger, ook gaande/staande door (ontmoetingsrelatief/centrerend)
het proton, regeert in rudimentair het atoom; met zeg als eerste hulp het
daarop neutraliserend reagerend neutron, dat in het rudimentair atoom
het een en ander al krachtig kruispulserend reguleert/overeenbrengt danwel
(aan)gepast schikt.

De van unobadwege ingebrachte, in aanhoudende veldbotsing uit
veldenergieën aldoor gevoede spreikracht (s -s), spreidt het atoom zijn
u-reële kracht "horizontaal" al voortrondwervelend krachtig mede uit.
Is in rudimentair het atoom de hoofdligger ontmoetingsrelatief-
scheidingsrelatief doorgaans (zie hiervan ook nog vervolgens in dit
denkthema) in evenwicht, in de uitkolkende/pulserende spreikracht
overweegt scheidingsrelatief/decentrerend op ontmoetingsrelatief/ 
centrerend  -  voor zolang de u-reële kracht overweegt op de u-oerkracht
danwel, zolang het rudimentaire van een atoom overweegt op het
segmentaire.
Overweegt de u-oerkracht, het segmentaire, dan gaat de spreikracht
overwegend ontmoetingsrelatief/centrerend u-oerkrachtig "verticaal"
teniet tot in oerniets  -  wat hier, vooralsnog rudimentair, dus niet het geval
is.

De spreikracht trekt uit in de "horizontaal" (mede doen) rondwervelende
u-reële kracht, in ook wijd(er)uit de krachtig rondkringelende schaalpulsering
(sp)  -  als zo altoos het geval in rudimentair het atoom.
Overweegt de u-oerkracht in de unokracht, en komt daarmede ook (onder
andere) het magnetisme overwegend op, dan draait het overwegend
u-oerkrachtig atoom voorzover nog (schaal)pulserend "horizontaal" niet
rond, maar ligt dan als gevangen in de greep van de magnetische kracht,
waarin de unokracht meer/zeer "horizontaal" uit de magnetische noordpool
rondom uiteen trekt tot weer ineen trekkend naar/in de magnetische zuidpool
(ofschoon er dan weer mobiel een rondommegang is van het electron als
deeltje; maar hiervan te zijner plaatse nader).
Maar intussen, ligt de hoofdligger in overlangs het abstracte rooster, in
onderscheid daarmede doortrekt de spreikracht meer overdwars dat rooster.
Zij ligt mede opgevoerd/opgenomen in de wat/meer verenigende (e - e)
aanbinding (a - a) van het atoom zijn u-reële kracht door dat abstracte
rooster.
Of ook, is de hevigheid dezer verenigende aanbinding mede onderhevig aan
de decentrerende-centrerende spreikracht.

Tot zover hier een korte uiteenzetting van de samengesteldheid van een in
overwegend rudimentaire gesteldheid verkerend atoom.
Maar nu voorts een kleine verhandeling betreffende deze atoomgesteldheid
indien de (niet mobiele) atoomactiviteit meer en meer toeneemt.

Een toenemende atoomactiviteit/unokrachtactiviteit wordt doorgaans
teweeggebracht door heviger veldbotsingen.
Bij meer mobiliteit der atomen kunnen de veldbotsingen heviger zijn  -  zoals,
wanneer dingen snel en sneller naar elkaar toe bewegen, de botsingen des
te heviger kunnen zijn.
Evenwel, deze uitwendige bewegingen blijven hier vooralsnog buiten
beschouwing; en dan komt te meer activiteit voort uit veldenergie, wanneer
velden meer volledig alsook meer frontaal op elkaar botsen  -  in dus een
veldbotsing danwel als unobad.
En, zoals al eerder opgemerkt, is de hevigheid der veldbotsing niet alleen
afhankelijk van de hoek waaronder de desbetreffende velden volgens hun
rechte veld(uit)gangen elkaar treffen, maar ook van de hoek waaronder die
zeg om hun as ronddraaiende velden op elkaar indraaien.
Maar in elk geval, is het een unobad aangelegenheid; en neemt aldus in
een unokracht, behalve de "verticale" u-oerkracht, decentrerend de
"horizontale" spreikracht, en daarmede tevens de al pulserend
rondommegaande schaalkracht, in activiteit/snelheid/hevigheid toe.

Bij deze toenemende immobiele atoomactiviteit/unokrachtactiviteit wordt
nog steeds gesteld, dat in het hierbij gehanteerd T-profiel het "horizontale"
nog steeds, zij het weliswaar wat minder overweegt op het "verticale".
Dan neemt vooral de decentrerende spreiactiviteit alsmede de
schaalactiviteit in snelheid toe; en onder de discipline van het "horizontale"
abstracte stramien loopt de "horizontale" rondommegang van de unokracht
dan overlangs dit stramien uit in een (al) meer ellipsvormige (el)
rondommegang.
Waarbij tevens, bij deze "extra uit(t)rekking", met ook de wat toenemende
centrerende u-oerkracht de verenigde aanbinding (naar centraal het/de
atoom/unokracht) overdwars het abstracte stramien toeneemt.
En zodra deze aanbindende/verenigende greep op de unokracht binnen de
overwegend inkolkende/inkerende/centrerende u-oerkrachtige zuil geraakt,
spitst deze aanbindende vereniging abrupt toe tot een zozeer
ontmoetingsrelatieve inbinding (i) van de unokracht bij/in atomair centraal
het proton.

En hiermede komt dan ook de zozeer scheidingsrelatief/decentrerend mede
uitgelopen hoofdligger abrupt weer scheidingsrelatief-ontmoetingsrelatief
ofwel decentrerend-centrerend in evenwicht.
Dat wil zeggen, een ander/nieuw evenwicht; waarmede, middels de
krachtige kruispulsering van het regulerend neutron "op orde gebracht",
ook de spreikracht (s
s') alsmede de schaalkracht (spsp') wordt
overeengebracht.
Als in een schaalsprong, trekt de schaalpulsering in een andere/nieuwe/
wijdere cirkelvormige rondommegang voort.
En al evenzo natuurlijk springt deze schaal met weer zijn verenigende
aanbinding (a' - a'), uitwaarts naar nog weer een wijdere schaal bij
unokrachtactiviteittoename  -  of weer inwaarts terug naar de kleinere
schaal bij unokrachtactiviteitafname.

Maar tenslotte, bij nog heviger toenemende immobiele atoomactiviteit/
unokrachtactiviteit zal, in het T-profiel, de "verticale" u-oerkracht
blijvend wat/meer overwegen op de "horizontale" u-reële kracht.
Onder andere de electrische kracht en de magnetische kracht zijn dan
van een overwegende invloed op de unokrachtgesteldheid danwel op
de atomaire samengesteldheid.
En waarbij dan, bijvoorbeeld, "horizontaal" het abstracte stramien en
de hoofdligger van een wat/meer ondergeschikt belang zijn; hoewel
zij overwegend, zeg op een wat/meer onderliggend niveau invloed
blijven uitoefenen op de krachtig kolkende werkingen van de unokracht,
op wat zich nu op een zeg wat/meer bovenliggend/overheersend
niveau gaat voltrekken  -  danwel op uiteindelijk mede de atomaire
samengesteldheid.


   Kortom, de u-oerkrachtige
   zuil (z-z - z'-z'; figuur b.), met
   daarin de opperoptiek (oo)
   en het opperwezen (ow), is
   dan van (mede) een eerste
   Transcendente invloed op
   allerlei atomaire verwikkeling
   en samenstelling.
   Daarbij kunnen, bijvoorbeeld,
   zowel de opperoptiek alswel
   het opperwezen ook wat/meer
   neerwaarts trekken naar en
   tot in het desbetreffend
   (on)stoffelijk atoom  -  bij
   veldbotsingen in een zekere
   
situatie, onder een zekere
   veldbotsingshoek (zoals het
   geval in denkthema 29, figuur
   c., bij unobad B).
   Dit valt ook op te vatten alsof
                                    
                                  het Transcendente vanuit een
zekere, door geestesbeschouwelijke substrahering en uit de (on)stoffelijke
natuur aangebrachte kosmische gestalte weer invloed uitoefent op de
(on)stoffelijke natuur.

Maar intussen, gedijt in overwegend een u-oerkrachtige zuil zowel de
electrische kracht (ek) alswel de magnetische kracht (mk)  -  hoewel van
deze beide de een in hevigheid nog weer kan overwegen op de andere.
De meer "verticale" u-oerkracht (ok) trekt zich dan meer/zeer samen tot in
een krachtig electrisch(e) verloop en afgang tot in oerniets (on)  -  als van
het proton (pm) naar/door het electron (em).
En de meer "horizontale" magnetische kracht ontplooit zich in de unokracht
met in de noordpool (np) uiteen te trekken en zich voorts weer samen te
trekken naar en in de zuidpool (zp).
Is deze magnetische trek aanzienlijk, overwegend in betrekking tot onder
andere de electrische kracht, dan beheerst de magnetisch kracht wat/meer
de u-reële kracht en vervangt zij in haar noordpool
zuidpool verloop
resulterend wat/meer de al pulserend immobiel rondgaande ommeloop
der schaalkracht.
En is daarbij, hierbij nog slechts in beginsel aangemerkt, het/de
opperwezen/opperoptiek in de u-oerkrachtige zuil van het Transcendente
uit als het/de middel/"steel"/"handvat", waardoor/waarmede de electrische
kracht en de magnetische kracht in de (on)stoffelijke natuur van
Transcendent(kosmisch)wege als "met gehanteerd gereedschap" worden
gewend alsook aangewend.
Maar tevens voltrekt er zich iets opmerkelijks met de massa's, het massale,
zelf; en waarvan nu eerst wat nader.

Elk der drie triasdeeltjes is aldoor maar door in generering/productie van
zichzelf vanuit het oerniets.
En is elk van deze drie, in het Transcendente generzijds, ook aldoor voluit
in degenerering/reductie tot in oerniets als massa/massaal  -  als vaste
protonmassa (pm), als de combi-massa van het neutron (nm) en als het
broze massale (ms - ms).
Deze verwording tot in oerniets wordt evenwel onderweg nog "opgevangen
door een vangnet", de unokracht, die zelf eendeels, als "horizontale"
u-reële kracht, opgaat in veldenergie en anderdeels, als "verticale"
u-oerkracht, afgaat tot in oerniets.
Overweegt nu in deze unokracht, in overwegend de rudimentaire
gesteldheid van deze/dat unokracht/atoom, de "horizontaal" uitkolkende/
uitvloeiende u-reële kracht op de "verticaal" inkolkende/afvloeiende
u-oerkracht, dan kolken/vloeien hiermee die massa's en dat massale
mede overwegend uit in/met deze "bruisende zee" aan u-reële kracht.
Al overwegend uitvloeiend (u/u/ . . . ) in deze "horizontale" u-reële kracht
en onder elkaar, hebben de massa's en het massale deel aan deze
u-reële kracht en aan elkaar ofwel, voeren deze massa's en het massale
met elkaar overwegend een zogenaamd collectief bestaan.

Maar het kan verkeren.
De uitkolkende/uitkerende u-reële kracht overweegt hier welliswaar op
de inkolkende/inkerende u-oerkracht, maar ook deze u-oerkracht is
intussen nog werkzaam  -  en kan ook komen te overwegen op de
u-reële kracht (in zogezegd overwegend de segmentaire gesteldheid
van de/het unokracht/atoom; maar hiervan nog nader).
En overweegt de "verticale" u-oerkracht op de "horizontale" u-reële
kracht in de unokracht, als tevens het "vangnet" voor de vergaande
massa's en het vergaande massale, dan komen deze/dit massa's/
massale overwegend terecht in de "verticale" "trechterbuis" van de
inkolkende/inkerende u-oerkracht.
Dat wil zeggen, de/het massa's/massale komen dan al overwegend
tot een eigen inkeer/inkering; zij zonderen zich overwegend af, van ook
elkaar, in hun afgang (a - a; a' - a'; a" - a") tot in zonder, het oerniets.
Danwel, het overwegend c(ollectief)-bestaan/aanwerken/enzovoort
van de/het massa's/massale onder elkaar is dan veranderd in een
overwegend, zogenaamd solitair bestaan/aanwerken/enzovoort van
elk van die/dat massa's/massale voor zich.
Zeg maar, de protonmassa met een eigen "poel" aan u-kracht, de
neutronmassa met een eigen "poel" aan u-kracht, en het "horizontaal"
broze massale gaat overwegend op in de broze electronmassa (em),
met ook een eigen "poel" aan u-oerkracht.
Aldus dan overwegend drie aparte massadeeltjes.

Echter hierbij twee opmerkingen.

Eerste opmerking.
Een unokracht, en daarbij tevens de/het daarin verwijlende(e) massa's/
massaal elk, is niet óf u-reële kracht óf u-oerkracht, maar immer én
u-reële kracht én u-oerkracht  -  waarbij de in veldenergie overgaande
u-reële kracht kan overwegen op de in oerniets afgaande u-oerkracht,
of andersom.
Zo is in elke massa, zoals de protonmassa, de neutronmassa, alsook
het massale, zowel uitkolkend in u-reële kracht alswel inkolkend in
u-oerkracht.
Overweegt daarbij in de unokracht de "horizontale" uitkolking op de
"verticale" inkolking, dan nemen deze masa's en het massale uitvoerig,
collectief deel aan de uitkolkende u-reële kracht van de unokracht; en
zijn zij tevens, als ondergeschikt/geschikt aan/door deze collectieve
deelname, in de "verticale" inkolkende u-oerkracht der unokracht
ingevoerd met/in eveneens een collectieve deelname daaraan/daarin
  -  alsof zij zijn geënt in totaal de unokracht.
Komt daarentegen in de unokracht de (tot in zonder/oerniets) zich
afzonderende u-oerkracht wat/meer te overwegen op de (in onderlinge
uitloping) gezaam zich ontvouwende u-reële kracht, dan zonderen
ook de massa's en het masale elk voor zich zich wat/meer af  -  als in
een wat/meer eigen/solitaire "worteling", generering-degenerering,
vanuit en tot in het oerniets.

Dan vangt voor de unokracht (met) haar gezellen, zowel collectief
alswel solitair, enige verbrokkeling aan.
Voorzover collectief, leveren de massa's en het massale de unokracht
nog steeds wat/meer u-reële kracht aan; terwijl voorts deze u-reële
kracht van de unokracht overgaat in het reeds besproken maar nu
zo te noemen c(ollectieve)-veldenergie.
En voorzover solitair "geplant" in het oerniets met een eigen/solitaire
"opbloei", "bloeit"/behoudt elke massa ook (met) een eigen/solitair,
"horizontale" u-reële kracht; terwijl voorts deze solitaire u-reële kracht
overgaat in een eigen, zo te noemen s(olitaire)-veldenergie (en
waarvan nog nader).
Zo heeft de protonmassa (ook) een eigen s-veld, en heeft de
neutronmassa (ook) een eigen s-veld.
Terwijl intussen het broze massale overwegend is opgegaan in een
broze electronmassa  -  en deze electronmassa ook een eigen/solitair
u-reële kracht heeft, met voorts ook een eigen, zo te noemen
s(olitair)-veld(energie).
Het massale, zozeer opgaand in de rondom de unokracht voortgaande
schaalpulsering, is nu wat/meer overwegend opgegaan in het solitair
bestaan van een electrondeeltje, een electronmassa met een eigen
s-veld(energie).

Tweede opmerking.
Deze betreft de historische ontwikkeling van de (on)stoffelijke natuur
bij dit een en ander.
Immers, kortstondig na de schepping van de (on)stoffelijke natuur is
er nog weinig van de u-reële kracht (der unokracht) te bespeuren.
Zoals reeds uiteengezet, komt de "horizontale" u-reële kracht meer en
meer op in het vorderen der heelalvlucht, waarin dan meer en meer de
(u-)reële kracht wordt gerealiseerd.
De "bedding" van een eerste/rudimentaire atomaire aanleg lag daarmee
niet eerstens voorhanden, maar het kwam er allengs van; en het doet
er voorts ook niet zoveel toe vanuit welke (on)stoffelijke gesteldheid het
verloop te schetsen van een ook, nu voorts wat nader uiteen te zetten
segmentair atomair bestaan "in de schoot" van een rudimentair atomair
bestaan.
Het is eenvoudig zo dat, zonder een rudimentaire basis, een basis die
juist het atoom zozeer eigen is, een gedegen atomair samenstel van
een segmentaire (op)bouw nauwelijks, althans minder denkbaar is.
In dit tweeërlei, rudimentair-segmentair bestaan, bestaan en gedijen de
atomen als " de betrouwbare hoekstenen" van een moleculair
(on)stoffelijk bestaan; en zal de voorgeschiedenis der atomen historisch
gezien van onder andere een minder constructieve/duurzame
samengesteldheid zijn geweest.

Vooreerst valt dan toch (vast) te stellen dat een (hedendaags en)
allereenvoudigst atoom, van eendeels een rudimentaire samengesteldheid
met collectieve deelname daaraan en anderdeels een segmentaire
samengesteldheid van solitaire delen/parten, een drietal verschillende 
massa's bezit  -  een protonmassa, een neutronmassa en een
electronmassa (deze laatste in onderlinge overgang met massaal).
En heeft elk van deze massa's, althans in atoomverband, zowel
segmentair een solitaire/eigen oerkrachtige afgang tot in oerniets alswel
rudimentair een collectieve/gezamenlijke oerkrachtige afgang tot in
oerniets.
Solitair als "drie aparte bloemstelen in een (u-oerkrachtige) trechterbuis
(van een unokrachtige trechter)" en collectief "deze als een bos/bundel
in de trechterbuis"; degenererend afgaand tot in oerniets en trouwens
ook productief/genererend opkomend vanuit het oerniets, overigens
   
eerstens wat betreft de
   desbetreffende triasdeeltjes.
   In (u-reëel krachtig) "deze
   trechtermond bloeien zij
   als bloemen, waarvan een
   als (massaal) blad"; solitair
   "als apart(e) bloemen/blad"
    en collectief "als een ruiker".
   Bij unokrachtige "vloed in
   de trechter" overweegt het
   rudimentaire/collectieve; en
   bij unokrachtige "ebbe in de
   trechter" overweegt het
   segmentaire/solitaire.

   Intussen gaat er van elk(e)
   massa(/massaal), "als vanuit
   de trechtermond", naar
   weerzijds, "horizontaal" in
   onzijdig bestaan, een
   tweeërlei veld uit; een
   c(ollectief)-veld(enpaar; c-c,
                                                                             figuur c.) en meerdere
s(olitaire)-velden(paren; s-s).
Zoals er een volkomen onderscheid is tussen collectief/uit-zichzelf-gaand en
solitair/in-zichzelf-gaand  -  zoals alreeds in de volslagen verschillende slag/
gang van doen tussen de in onzijdig bestaan van veldenergie uitkolende en
opgaande u-reële kracht en de in het niet-bestaan van het oerniets inkolkende
en afgaande u-oerkracht  -  zo verlopen ook het c-veld en het s-veld in een
elkaar volstrekt ontlopende loop.
Of anders geduid, het "horizontaal" rechte c-veld en het "horizontaal" rechte
s-veld staan "horizontaal" recht, onder een rechte hoek, op elkaar.
Het c-veld in een gezamenlijke uitloop; van vol/bol het protonmassaveld (cpv)
vanuit de protonmassa (pm), van leeg/hol het massaalveld (cm) vanuit het
broze massale (m - m) en van neutraal/bol-hol ofwel vlakweg het
neutronmassaveld (cnv) vanuit de neutronmassa (nm)  -  als het c-veld, dat
via/van u-reëel krachtig de unokracht uitgaat.
En de s-velden in elk een aparte uitloop; het volle/bolle protonmassaveld
(spv) vanuit de protonmassa, het lege/holle electronmassaveld (sev) vanuit
de electronmassa (em) en het neutrale/vlakke neutronmassaveld (snv) vanuit
de neutronmassa  -  als de s-velden, die elk rechtstreeks van (reëel krachtig)
de desbetreffende massa uitgaat.

Hoe woeliger/heftiger alswel krachtiger de unokracht werkzaam is, dat wil
zeggen hoe meer de inkolkende u-oerkracht komt te overwegen op de
uitkolkende u-reële kracht (wegens te meer frontale veldbotsingen, alsook
wegens te sneller mobiele benaderingen), hoe meer "ebbe in de trechter",
hoe meer de kracht der veldbotsingen/unobaden tussen de opkomende
s-velden toeneemt in betrekking tot de minderende kracht der veldbotsingen/
unobaden tussen de afnemende c-velden (die overigens op hun beurt
toenemen bij meer unokrachtige u-reële kracht danwel bij meer "vloed in de
trachter").
Het atoom verbrokkelt dan, zeg maar, in massadeeltjes, en met particuliere
s-veldbotsingen wordt het atoom als uiteen getrokken  -  en de
massadeeltjes, met elk nog slechts zijn s-veld, zijn dan als vrij.
Per eerste definitie is een proton dan geen proton meer, een neutron geen
neutron; en wordt er dan maar van een p(seudo)-protonmassa, een
p(seudo)-neutron
massa en een                                                                                                                                                                                                                                    p(seudo)-electronmassa gesproken.

     Evenwel gaan deze p-massadeeltjes
     onder elkaar middels s-veldbotsingen/
     s(olitair)-unobaden nog weer
     verbindingen 
aan  -  zoals in een
     s-veldbotsing (svb; figuur d.) tussen
      een p-protonmassa (ppm) en een
                                                         p-electronmassa (pem).
Als in een allere
erste segmentaire aanleg van (weer) een atoom; waarbij
dan ook enige samenwerking, tot wat/meer basale/rudimentaire aanleg van
dat atoom, zich opdoet.
Maar van dit een en ander nader in het volgend denkthema.






                                                       * - * - * - *